Het oordeel dat kunst ‘matig’ is, klinkt eenvoudig, maar is zelden objectief. Kunst laat zich niet beoordelen zoals een kapotte stoel of een verkeerd uitgevoerde rekensom. Toch bestaan er criteria waarmee een schilderij, foto, voorstelling of installatie kritisch kan worden bekeken.
Een eerste criterium is vakmanschap. Beheerst de kunstenaar het gekozen materiaal, de techniek, de compositie, het licht, de taal of de ruimte? Slordigheid kan een werk verzwakken, maar hoeft dat niet altijd te doen. Een technisch onvolmaakt beeld kan juist krachtig zijn wanneer die ruwheid bewust is ingezet. Matigheid ontstaat eerder wanneer de uitvoering onbedoeld gebrekkig is en de techniek de bedoeling van de maker in de weg staat.
Een tweede criterium is zeggingskracht. Roept het werk iets op, stelt het een vraag of biedt het een onverwachte blik? Matige kunst blijft vaak steken in een algemeen idee dat nauwelijks is uitgewerkt. Het werk illustreert dan vooral een modieus onderwerp zonder er werkelijk iets aan toe te voegen. Ook clichés, gemakzuchtige symboliek, voorspelbaarheid en oppervlakkige emoties kunnen een kunstwerk middelmatig maken.
Daarnaast spelen oorspronkelijkheid en noodzaak een rol. Waarom moest dit werk worden gemaakt? Is het meer dan een herhaling van bestaande stijlen? Volledige originaliteit bestaat nauwelijks: iedere kunstenaar bouwt voort op voorgangers. Maar er is een verschil tussen geïnspireerd zijn en gedachteloos imiteren. Een herkenbare stijl is niet automatisch een eigen stem.
Wie bepaalt vervolgens of kunst matig is? Kunstcritici, conservatoren, galeriehouders, subsidieverstrekkers, verzamelaars, docenten, kunstenaars en publiek hebben allemaal invloed. Hun oordelen vallen echter zelden samen. Wat een museum vernieuwend noemt, kan door bezoekers als leeg of pretentieus worden ervaren. Wat critici kitsch vinden, kan voor anderen persoonlijk en betekenisvol zijn. Bovendien verandert waardering met de tijd. Kunstenaars die eerst werden genegeerd, kunnen later als baanbrekend worden beschouwd.
Daarbij mogen belangen niet worden vergeten. Mensen en instellingen kunnen er voordeel bij hebben het werk van anderen ‘matig’ te noemen. Galerieën willen hun eigen kunstenaars positioneren, musea verdedigen hun aankoopbeleid, critici bewaken hun gezag en kunstenaars concurreren om aandacht, geld en tentoonstellingsruimte. Ook sociale afkomst, opleiding, netwerk, mode en reputatie beïnvloeden wie serieus wordt genomen. Een gevestigd kunstenaar krijgt soms waardering voor een werk dat bij een onbekende maker zonder pardon zou worden afgewezen.
Het begrip ‘matige kunst’ zegt daarom niet alleen iets over het kunstwerk, maar ook over degene die het oordeel uitspreekt. Een zinvolle beoordeling benoemt concrete eigenschappen en argumenten: waar schiet de uitvoering tekort, waarom blijft het idee oppervlakkig en in welke context wordt het werk bekeken? Zonder zulke uitleg is ‘matig’ geen kritiek, maar slechts een machtswoord.
Misschien is matige kunst uiteindelijk kunst waarin weinig op het spel lijkt te staan: correct gemaakt, veilig gepresenteerd en snel vergeten. Maar zelfs dat oordeel blijft voorlopig. Kunst begint waar zekerheid ophoudt.
Reactie plaatsen
Reacties